Riebeek Kasteel
3 januari 2026 - Riebeek-Kasteel, Zuid-Afrika
Een hele dikke honderd kilometer ten noorden van Cape Town ligt het lieflijke plaatsje Riebeek Kasteel tegen de immer groen/grijze heuvels van het Kasteelberg-gebergte. Om er te komen rij je in de zomer (november tot en met maart) door een zo goed als altijd bruine vallei omdat veel gewassen (vooral tarwe) en de natuurlijke vegetatie verbranden waardoor het landschap dus bruin kleurt. Maar in de regentijd verandert de vallei in een groene, vruchtbare omgeving waardoor het blijkbaar uitermate geschikt is voor wijn- en olijf teelt. Wijn uit de bekende Swartland-regio, het merk dat ik regelmatig bij AH en Jumbo in de schappen zie liggen.
Maar goed, daar zeg ik het allemaal niet voor. Naast al het moois en lekkers wat Riebeek Kasteel te bieden heeft werd ik namelijk al een tijd geleden getriggerd door zijn naam. ‘Riebeek’ is iets wat ik nog wel begrijp, maar dat Kasteel er achter? Hoe is dat dan ontstaan? Al dagdromend zou het zomaar als volgt gegaan kunnen zijn.
“Pieter, het wordt weer tijd vor ene ekspedisie”. Jan sprak zijn zin enigszins vertraagd uit, deels door de wijn die de gehele avond al rijkelijk had gevloeid, maar ook omdat hij Pieter niet graag op een nieuwe tocht uit wilde sturen, net nu hij de man zo nodig had met het onder controle houden van die vervloekte Hottentotten. In plaats dat hij voordeel van die ‘swartmense’ had ondervond hij er alleen maar last van. Waarom namen ze geen genoegen met al het ijzerwaar en tabak wat hij zo genereus ruilde tegen alle runderen en schapen. Nee, vooral alcohol, daar was het ze om te doen. En zodra zo’n swartkop dan de nodige brandewijn naar binnen had gewerkt kwam er van handel of werken niets meer terecht. Dan ging hij op zijn luie kont zitten en even later hoorde je hem dan luid snurken. Maar wat nog het ergste was, zodra zo’n hottentot dan weer enigszins aanspreekbaar was verdween hij, zonder te zeggen waarheen. Je kon nooit op ze bouwen, totaal onberekenbaar. En dat niet alleen, ze stalen ’s-nachts terug wat ze de overdag aan zijn compagnie hadden verhandeld. Dieven zijn het, klaplopers, allemaal. Maar daar hadden de Heren XVII van de VOC niets mee te maken, dat hadden ze al meerdere keren duidelijk gemaakt. “Wat voor ons gewichtig is, van Riebeeck, is dat er vlees geleverd blijft worden aan de schepen die bij jou verversingspost aankloppen. Vlees, verse groenten en water, dat moet er geleverd worden, is dat duidelijk van Riebeeck!” En daarom was hij wel gedwongen om Pieter nu weer ‘op ekspedisie’ te sturen.
Pieter was er al vaker op uit gestuurd om de vleesvoorraad voor het Fort aan te vullen. Hij wist dat van Riebeeck een heel fok programma had opgezet om zodoende altijd voldoende voorraad te hebben, maar de Heren XVII hielden er geen rekening mee dat de vraag naar vers vlees vele malen groter was dan het aanbod vanwege de vele schepen die laatstelijk hun verversingspost aan hadden gedaan.
Inmiddels was hij al drie dagen onderweg, maar de weg door de vallei was een moeizame en de drie ossenwagens kwamen dan ook slechts langzaam vooruit. Heel in de verte zag Pieter het doel van zijn bestemming al liggen. Een grote zwarte steenklomp, glinsterend in de ochtendzon temidden van moeras, struiken en laag groeiende bomen. Hij had zich laten vertellen dat daar, tegen de heuvels, grote kuddes runderen rondliepen die door slechts een handvol hottentotten werden bewaakt. Daarom had Jan hem en zijn zeven companen, een paar goeie musketten meegegeven. Konden ze de runderen niet goedschiks bemachtigen, dan maar kwaadschiks. Daar kwam bij, bedacht Pieter zich, wat moeten die ‘swartmense’ nu met die dieren. Ze hadden toch meer dan genoeg aan alle bessen en eetbare planten! En, niet te vergeten, hij wist dat ze prima vallen konden uitzetten zodat ze nooit zonder vlees zaten. Volgens hem gebruikten ze het vee alleen maar om een beetje te handelen en voor dikdoenerij. Hij had er dus geen enkele moeite mee, sterker, zou er zeer trots op zijn, om flink wat dieren mee terug naar het Fort te nemen.
Pieter realiseerde zich niet dat hij na drie dagen pas halverwege was. Na nog eens drie zware dagen op de wagen kwamen ze eindelijk bij de voet van de berg aan, nadat ze als laatste struikelblok de rivier hadden overgestoken. Voor een van de wagens bleek de rivier een onoverkomelijke hindernis, want door de sterke stroming kon een van de ossen niet op zijn hoeven blijven staan, was uitgegleden en had vervolgens de andere drie ossen meegetrokken in het kolkende water. De wagen was gekanteld en werd toen door het woeste water meegesleurd. Gelukkig kan de voerman, Pieter de Hoogh, een zeer persoonlijke vriend van Pieter, nog juist tijdig aan dit onheil ontkomen door van de bok in het water te springen waar hij nog net het touw dat hem door zijn vriend was toegeworpen kon grijpen. Het had maar heel weinig gescheeld.
De volgende ochtend in alle vroegte besteeg Pieter met twee maten de berg die hij dagenlang in het vizier had gehad. Zwetend en puffend bereikten ze tegen het middag uur de top en hadden van daar een ongelooflijk uitzicht op de gehele vallei.
“Morgen vrinden, halen we ons eten binnen. Laat het tenminste de moeite waard geweest zijn, indachtig wat we gisteren aan het water verloren hebben”. De mannen bleven staan en keken strak voor zich uit, geen van drie sprak gedurende een aantal minuten. Toen verbrak een van hen de stilte door te wijzen op het machtige uitzicht.
“Korporaal Pieter Cruythoff, je hebt ons meegenomen op deze ekspedisie en daar zijn we dankbaar voor. Maar wat we hier deze ochtend mogen aanschouwen maakt dat we ons klein voelen in vergelijking met deze natuur en God” sprak een van de gezellen.
Na weer een kleine stilte voegde de andere compaan daar aan toe “vanaf ons Fort hebben we al een fantastisch uitzicht, maar nu lijkt het wel alsof we op de muur van ons kasteel staan en uitkijken over ons land”. Hij moest er zelf om grinniken, maar Pieter keek hem met een trotse blik aan. “Ja Johan, alsof we op een kasteel muur staan, maar het is niet ons kasteel hè, dat weten we allemaal. Het is onze commandant die ons er op uit heeft gestuurd, dus dient het kasteel ook zijn naam te dragen. Heren, ik stel u voor “ en hij maakte een wijds gebaar met zijn armen “Jan van Riebeeck se Kasteel!”
Het zal ongetwijfeld anders gegaan zijn, maar mijn fantasie slaat altijd een beetje op hol als ik over een stukje geschiedenis lees. Dan denk ik ‘ach, het zou zo gegaan kunnen zijn’ en dan dagdroom ik weer wat verder achter het stuur van de auto die ons in nog geen 1,5 uur van Cape Town naar dit gebergte brengt. De geschiedenis is mooi, maar met enige vooruitgang is toch ook niets mis.


Allerbeste wensen voor 2026 nog iets van vuurwerk waargenomen?
Hé Geert, jij ook nog de beste wensen uiteraard! Ik heb vanuit hier wel de vuurwerk toestand in Nederland met lede ogen aangezien. Wat maken wij er toch een bende van 😪. Hier bleef het beperkt tot wat mooi siervuurwerk in Kirstenbosch, de botanische tuin aan de voet van de Tafelberg waar we deelgenoot mochten zijn van een gezellig concert. We zijn dus swingend het nieuwjaar ingegaan. Ik kan je vertellen dat dat echt vele malen beter aanvoelt dan toe moeten kijken hoe hulpverleners letterlijk onder vuur wirden genomen door een stel gekken die totaal losgeslagen zijn. Opsluiten en nooit meer naar omkijken zou ik zeggen! Maar verder, op naar een prachtig nieuwjaar 🌟🎉🚴🏃♂️🏊